Integrale CO2-aanpak bij energierenovaties
De bouwsector staat voor een enorme uitdaging: het verminderen van de CO2-uitstoot van gebouwen. Daarbij is een integrale CO2-aanpak bij energierenovaties noodzakelijk. Waarbij zowel materiaalgebruik, energieprestatie als toekomstbestendigheid worden meegenomen.
De gebouwde omgeving is verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de CO2 uitstoot in Nederland. Omdat circa 80 procent van de huidige gebouwen in 2050 nog steeds in gebruik zal zijn, is het verduurzamen van de bestaande voorraad cruciaal om de klimaatdoelen te halen. Het Klimaatakkoord van Parijs vraagt om een vrijwel volledig CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050 én om een circulaire economie.
Praktische leidraad
Om daarbij te helpen heeft de Dutch Green Building Council (DGBC) in oktober 2024 de handreiking ‘Integrale CO2-aanpak bij energierenovaties’ uitgebracht. Deze praktische leidraad ondersteunt beleggers, bouwbedrijven, woningcorporaties, opdrachtgevers en leveranciers bij het verduurzamen van hun renovatieprojecten. De handreiking laat zien hoe zowel de operationele als de materiaalgebonden CO2-uitstoot kunnen worden verminderd, met oog voor circulariteit en kostenbeheersing. Energierenovaties bieden kansen om deze emissies sterk te reduceren. Toch wordt in de praktijk vaak slechts naar één aspect gekeken — bijvoorbeeld isolatie of aanpassing van installaties — terwijl een integrale benadering juist essentieel is voor maximale impact.
De 5 stappen van de integrale CO2-aanpak
De bouwsector staat voor een enorme uitdaging: het verminderen van de CO2-uitstoot van gebouwen. Het doel is een 100 procent CO2-reductie in de gebouwde omgeving tegen 2050, in lijn met het Klimaatakkoord Parijs en een 100 procent circulaire economie. Energierenovaties zijn cruciaal, de focus moet verder gaan dan alleen energiebesparing; ook de materiaalgebonden CO2-impact en de circulariteit van materialen moeten integraal worden meegenomen. De aanpak is gestructureerd rond vijf belangrijke stappen om een gebouw of vastgoedportefeuille CO2-neutraal te maken.
1. Operationele emissies op portefeuilleniveau bepalen
Deze stap richt zich op het inzichtelijk maken van de
huidige operationele CO2-uitstoot van een vastgoedportefeuille. Het doel is om uiterlijk in 2050 CO2-neutraal te zijn. Een instrument zoals de Carbon Risk Real Estate Monitor (CRREM) helpt beleggers om reductiepaden te bepalen en gebouwen te identificeren die – zonder maatregelen – stranded assets (waardeverlies) kunnen worden.
De operationele CO2-prestatie wordt beoordeeld aan de hand van de energie-intensiteit en de CO2-intensiteit van gebouwen:
- Energie-intensiteit (kWh/m²/jaar) = totaal jaarlijks energieverbruik/totaal oppervlakte.
- CO2-intensiteit (kilogram CO2/m²/jaar) = totaal
operationele CO2-uitstoot/totaal oppervlakte van een gebouw.
Operationele CO2-uitstoot omvat emissies van
elektriciteit, gas en warmte, berekend met specifieke
emissiefactoren. Deze kun je vinden op de website:
www.CO2emissiefactoren.nl.
2. Een energetische routekaart ontwikkelen
Zodra de CO2-intensiteit van de portefeuille bekend is, moet een routekaart worden opgesteld om strategische energiemaatregelen te plannen en stranded assets te voorkomen. Dit omvat het identificeren van gebouwen
met de grootste elektriciteits- en energieverbruiken en de hoogste energie-intensiteit. Door maatregelen te combineren met het Duurzaam Meerjaren
Onderhoudsplan (DMJOP) kunnen efficiëntieslagen worden gemaakt. Strategieën omvatten energieefficiëntie (bijvoorbeeld isolatie, efficiënte verwarming en ventilatie, zonnepanelen) en energieopwekking en eventueel CO2-compensatie.
3. Circulair uitvragen bij energierenovaties
Naast het reduceren van operationele emissies, is het
essentieel om ook de materiaalgebonden emissies (embodied carbon) te minimaliseren. Dit wordt berekend met een Life Cycle Assessment (LCA) om verschuiving van milieueffecten te voorkomen. Belangrijke aspecten hierbij zijn:
- Materiaalherkomst
- Prioriteit geven aan hergebruikte, herbruikbare
of gerecyclede materialen. De EU Taxonomie stelt
drempels voor het minimale percentage gerecycled of
hernieuwd materiaal in diverse categorieën. - Hergebruikpotentie en losmaakbaarheid
- De mate waarin materialen kunnen worden
hergebruikt of gerecycled. Dit wordt bepaald door de
losmaakbaarheid (hoe gemakkelijk componenten te
demonteren zijn) en de kwalitatieve hergebruikpotentie
(hoe goed materialen te recyclen zijn). - Hoogwaardig hergebruik
- Stimuleer hoogwaardig hergebruik van vrijkomende
componenten volgens de R-ladder. - Omgang met bouw- en sloopafval
- Minimaliseer afvalstromen door efficiënt om te gaan met materialen en afvalstromen geografisch te
optimaliseren. - CO2-opslag van toegevoegde materialen (biogene CO2-opslag)
- Organische materialen zoals hout, stro en bamboe slaan CO2 op. Dit kan leiden tot een netto CO2-reductie en wordt meegenomen in de MPG-berekening voor wettelijk verplichte projecten.
De materiaalgebonden CO2-uitstoot wordt uitgedrukt inkilogram CO2-equivalent. Environmental Product Declarations (EPD’s), gebaseerd op LCA, zijn documenten die inzicht geven in de milieu-impact van een bouwproduct.
4. Terugverdientijd en impact van de maatregelen berekenen
Deze stap koppelt CO2-investeringen aan CO2-besparingen
door de CO2-terugverdientijd (TVT) te berekenen. De TVT geeft aan in hoeveel tijd een investering in duurzaamheidsmaatregelen zich terugverdient in termen
van CO2-reductie. Terugverdientijd [jaren] = materiaalgebonden emissies [kilogram CO2,e]/impact op de operationele emissies per jaar [kilogram COv,e] Een snellere TVT wordt bereikt wanneer de initiële materiaalgebonden emissies laag zijn en de operationele CO2-besparingen hoog. Het toepassen van circulaire principes, zoals biobased materialen en hoogwaardig hergebruik, kan de TVT aanzienlijk verkorten.
5. Interne CO2-prijs bepalen
Een interne CO2-prijs is een fictieve heffing op de uitstoot van CO2. Het doel is om negatieve externe effecten van CO2-uitstoot te internaliseren in de bedrijfsvoering, wat de klimaatinvesteringen stimuleert. Door een interne CO2-prijs vast te stellen, kunnen de kosten van CO2-uitstoot meegenomen worden in projectberekeningen en investeringsbeslissingen. Voorbeelden van interne CO2-prijzen zijn:
- CRREM: € 32,- per ton in 2023, oplopend tot € 250,- per ton in 2050.
- Provincie Utrecht: € 875,- per ton voor klimaatinterventies in eigen vastgoed.
- Ter vergelijking: de prijs in het EU Emissions Trading System (EU ETS) was € 74,17 per ton CO2 in januari 2024, en € 18,- per ton CO2 in 2018.
Aansluiting bij bestaande standaarden
De integrale CO2-aanpak is zo veel mogelijk afgestemd
op bestaande sturingsmechanismen en initiatieven, zoals de EU Taxonomie, CSRD, Het Nieuwe Normaal (HNN) en BREEAM-NL. Dit zorgt voor een coherente benadering van duurzaamheid in de gebouwde omgeving. Aspecten zoals energiebesparing, materiaalgebonden CO2-uitstoot, materiaalherkomst, losmaakbaarheid, hergebruikpotentie, afvalbeheer en biogene CO2-opslag worden in deze standaarden opgenomen.
Conclusie: een integrale CO2-aanpak bij energierenovaties is essentieel om de klimaatdoelen van 2050 te bereiken. Door zowel operationele als materiaalgebonden emissies te adresseren en instrumenten zoals de CO2 terugverdientijd en een interne CO2-prijs te hanteren, kunnen vastgoedeigenaren en beheerders hun portefeuilles transformeren naar een duurzame en CO2-neutrale toekomst.
Bronvermelding:
Rapportage ‘Integrale CO2-aanpak bij energierenovaties’
